Gastreflectie | Kunsteducatoren Lieke van den Berge en Clim Stoopen over ‘Vakmanschap’

144 20251114 Lotsoflieke Arttechtour LR
Geplaatst op:

Binnen KunstPakt werkt KCR vanuit drie thema's: burgerschap, vakmanschap en plezier in taal. Omdat KCR kennis beschouwt als een product van continue interactie en reflectie, nodigen wij professionals uit het onderwijs en het culturele veld uit om met ons te reflecteren op deze thema's in een vorm die aan hen eigen is. Voor het onderstaande artikel interviewden wij Lieke van den Berge, directeur van KITE Educatie, en Clim Stoopen, kunsteducator bij o.a. Brutus, over de complexe verhouding tussen vakmanschap en technologie.

Coverfoto: Lots of Lieke / Lieke van den Oord
[alt. tekst: een leerling knutselt aan een buizeninstallatie in een paarsverlichte metalen kooi]

In een tijd waarin het begrip materiaal steeds verder wordt opgerekt, en het creatieve proces steeds meer wordt uitbesteedt aan technologie, is het belangrijk om te bevragen hoe onze blik op vakmanschap verandert. Vakmanschap gaat niet alleen over iets goed kunnen maken, maar juist ook over het begrijpen hoe iets tot stand komt, of dat nu met klei of code gebeurt. Maar hoe geef je inzicht hierin wanneer de rol van de maker, en die van het materiaal, blijft veranderen? Hoe benader je vakmanschap in je hedendaagse educatiepraktijk?

Technologie is een middel om te maken

 

KITE educatie heeft een helder doel: kinderen begeleiden tot weerbare, kritische en creatieve burgers in een continu veranderende wereld. Dit doen ze door het organiseren en ontwikkelen van educatieve projecten op het snijvlak van kunst en technologie. Maar waar hebben we het over, wanneer we met KITE over technologie praten? Lieke: “Technologie is een middel om te maken. Het zit naast je kwast en je klei, naast je beweging. Ons doel is ook niet om iets te leren over technologie, we willen vooral extra handvaten geven om te creëren. En om angst voor technologie weg te nemen.”


Lieke: “Er is heel veel angst rondom werken met technologie, omdat er al snel wordt gedacht dat men er niet genoeg vanaf weet, en er dus ook niet veel mee kan. Ik zie het andersom, en denk dat het juist heel erg open staat voor experiment. Je bent toch ook niet bang om een kwast op te pakken?”


Technologie lijkt de vraag tussen wat wel of niet telt als ‘gemaakt’ op scherp te zetten. Daarmee maakt het die vraag relevant, en triggert het leerlingen om hem het hoofd te bieden. Lieke: “Leerlingen, en alle mensen eigenlijk, accepteren veel dingen in de wereld gewoon zoals ze zijn. Ze staan niet zo vaak stil bij de vraag: hoe is dit gemaakt? Het gebruik van technologie in je creatieve lessen kan die vraag juist wel oproepen, en daar ook een extra dimensie aan geven.”

Lieke van den Berge

Lieke van den Berge is ontwerper en directeur bij KITE Educatie. Hier ontwikkelt zij educatieprogramma’s en leeromgevingen op het snijvlak van kunst, technologie en educatie. Vanuit de overtuiging dat de toekomst open en maakbaar is, werkt KITE samen met kinderen, jongeren, professionals en creatieve makers aan de vraag: welke wereld willen we, en hoe geef je daar zelf vorm aan?

Liekevandenberge KITE Stefanbookholt

Clim Stoopen

Clim Stoopen is museumdocent en kunstenaar. Bij Museum de Pont, het Nederlands Fotomuseum en Brutus Artist Driven Playground geeft en ontwikkelt hij interactieve rondleidingen en workshops aan het primair onderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en particuliere groepen.

DSC01349 3

Zo analoog mogelijk

 

Bij Artist Driven Playground Brutus staat de interactie tussen mens en technologie ook centraal, specifiek in de net afgeronde tentoonstelling AUTONOMOUS, van curator Ine Gevers: “een neurospicy en psychedelisch verzet tegen de door AI gegenereerde monocultuur van de geest”. Kunsteducator Clim Stoopen heeft de educatielijn rondom de expositie mede-opgesteld. Middelbare scholieren worden uitgenodigd om door de tentoonstelling heen te dwalen, en vervolgens met camera’s een workshop portretfotografie te volgen, waarbij ze attributen, maar vooral ook Brutus zelf als decor gebruiken. Vervolgens gaan ze in gesprek over wat ze hebben gemaakt.


De activiteit is met opzet zo analoog mogelijk. De camera’s zijn goedkoop, het beeld is korrelig. Clim: “Leerlingen gaan daar helemaal op aan. Hun telefoons maken allemaal veel betere beelden, maar daarom doen we het juist zo. Je leert anders te kijken, en de leerling raakt gefascineerd door wat ze niet meer kennen, of wel eens gezien hebben maar zelf niet makkelijk bij de hand hebben. Ik krijg ook elke keer de vraag waar ze zelf zo een camera kunnen kopen.”

Vakmanschap daagt leerlingen en makers uit om te kijken, te voelen, te maken en te reflecteren. Wat maken we? Hoe is iets gemaakt? Waarom op die manier? Welke materialen zijn gebruikt, en waarom? Wat betekent het gemaakte, in onze diverse, steeds veranderende stad? En wat leren we door het maken? In een stad als Rotterdam, waar diversiteit en maakcultuur samenkomen, is het essentieel dat leerlingen niet alleen kunst beleven, maar ook leren begrijpen, om te kunnen maken.

Binnen cultuuronderwijs biedt vakmanschap een krachtige ingang om kunst en cultuur te benaderen: niet als iets dat buiten ons (ont)staat, maar als iets dat ons raakt via onze handen, onze ogen en onze keuzes. In Rotterdam, waar mensen uit alle delen van de wereld samenleven, brengt vakmanschap ons in contact met die diepere lagen van cultuur en creativiteit. Het stelt ons in staat om niet alleen kunst en objecten te maken, maar ook om elkaars verhalen en perspectieven te begrijpen via het proces van maken. Lees de gehele KCR-visie op vakmanschap.

Een voorkeur voor het materiële

 

Leerlingen hebben toch een voorkeur voor het materiële, ten opzichte van het digitale. Ook als je het gesprek over AI met ze aangaat. Clim: “Het boeit ze vrij weinig. Voor ons, de oudere generaties, is AI magie, iets waarvan we gelijk denken dat het vet is voor de jeugd. Maar zij kennen het trucje al, en vinden het niet bijzonder. Voor leerlingen is het veel interessanter om terug te grijpen op iets ouders, om weer iets materieels op tafel te leggen, om niet AI uit te pluizen, maar juist precies de tegenhanger. Geef ze iets van PUR-schuim, dan weten ze niet hoe het gemaakt is.”


Clim: “In de expositie staat een werk van kunstenaar Floris Schönfeld: de installatie PUK* system, wat een alternatieve vorm van AI poogt te zijn, waarin mieren door buizen naar een soort moederbord kruipen. Het neemt live informatie op, verwerkt het, en laat het op een andere manier weer zien. Het werk laat zien wat er tussen input en output gebeurt binnen AI, in dat onzichtbare moment waar wat je erin stopt verandert in wat eruit gaat. Dat is de magie. Mieren kruipen over kabels, over printers, over technologie. Je hoeft niet te snappen wat er precies gebeurt, maar het is echt vet. En je mag een beetje je fantasie gebruiken. Zo onderzoeken we met leerlingen hoe AI werkt en wat het kan, maar niet zozeer wat eruit komt, dat trucje kennen ze al. Het zit op de grens tussen digitaal en echt; het is AI maar toch heel materieel. Dat vinden leerlingen interessanter dan iets wat puur op een scherm gebeurt.”


Zo blijft het gesprek over materialiteit relevant, ook in een tijd waarin het scherm begint te domineren in de culturele beleving van leerlingen. We zien een tegenreactie waarbij leerlingen neigen naar fysieke materialen die tastbaar zijn, waar ze een fysiek gevoel bij kunnen voorstellen als ze ernaar kijken. Of juist waarin het contrast tussen artificieel en ‘echt’ wordt opgezocht en onderzocht, zoals in bovenstaand voorbeeld, waar de mier de machine ontmoet.

Technologie vermenselijken

 

Ook op de basisschoolleeftijd lijkt de magie van AI niet per se gelijk aan te slaan. Kinderen zien in dat het niet vakmanschap vereist op de manier waarop zij dat hebben leren kennen. Lieke: “De kinderen zelf vinden het leuk, maar zien het vooral als een soort trucje om te gebruiken, niet als iets dat ze maken uit zichzelf. Ze zouden het niet inleveren als een kunstwerk met hun naam eronder.”


Specifiek voor de po-leeftijd, en dan met name de onderbouw, kan het van waarde zijn om juist de menselijke kant van technologie bloot te leggen. Deze leerlingen kunnen nog niet lezen, begrijpen nog niet hoe een computer werkt, zijn nog niet in staat tot gesprekken over het internet. Lieke: “In zo een situatie gaan we technologie vermenselijken. We kijken naar zintuigen: wat zijn zintuigen van een machine tegenover die van jezelf? Hoe zit dat bij een robot?” Het benadrukt de maakbaarheid van technologie, en het besef dat menselijke ervaringen en sensaties het startpunt zijn van de omgang met technologie en kunst.


Lieke: “De eerste les die wij ooit maakten was een workshop bij het Nieuwe Instituut. Het was een soort Dr. Bibber spel, waarbij de kinderen leerden na te denken over een stroomkring aan de binnenkant. Aan de buitenkant ging het over het lichaam van de toekomst. De leerlingen moesten nadenken over technologische toepassingen die dat lichaam kon krijgen, over het ontwerpen dat daar voor hen bij kwam kijken. En het ging over de vraag: wat zou jij voor technologische aanpassingen aan jouw toekomst-lichaam willen?”

Lots of Lieke / Lieke van Oord [alt tekst: een groep leerlingen wijst naar een scherm met daarop veel verschillende vierkante plaatjes op zoek naar plaatjes met een stad erop]

Muziekschilderijen

 

Het inzichtelijk maken van de processen achter de technologie lijkt in het werk van zowel Clim als Lieke hoofdzaak te zijn. Lieke: “Onze muziekschilderijen zijn hier ook een mooi voorbeeld van. De leerlingen programmeerden een schilderij op de computer. Dat schilderij werd vervolgens geschilderd door een tekenrobot, met geleidende verf. We konden vervolgens stroom zetten op die verf, en dat weer programmeren zodat het schilderij op het moment van aanraking muziek maakte. Er zaten enorm veel lagen in, maar de kern was de samenwerking tussen mens en computer, en de manier waarop ze elkaar versterken. Dat is voor ons de basis van alles.”


En soms, juist wanneer de omgang met technologie zo centraal staat, kan het van waarde zijn om als onderwijzer aan te tonen dat het gemaakte overál te vinden is in onze omgeving. Zoals in het industriële Brutus gebouw, een museum wat eigenlijk totaal geen museum is. Een gebouw wat uitnodigt om te voelen, horen, spelen. Clim: “Ik laat ze even verwonderd door het pand kijken. Naar die bizar mooie, rauwe ruimte. Dat is de charme van Brutus. Daarom willen kunstenaars hier zijn, en kinderen ook. En dan spring ik op een picknicktafel en zeg ik: ‘hier bij Brutus mag dat!’ En dan klimmen ze er zelf ook op.”

Terug naar overzicht

Welkom op onze website!

KCR maakt op deze website gebruik van cookies. We gebruiken cookies voor het bijhouden van statistieken (de cookies van Google Analytics zijn volledig geanonimiseerd), om voorkeuren op te slaan, en voor marketingdoeleinden. Door op 'optimaal' te klikken, ga je akkoord met het gebruik van alle cookies zoals omschreven in onze cookie verklaring. Je hebt ook de keuze voor 'minimaal', als je dit liever niet hebt. 

)